VOG voor TBS’er

Op 9 oktober heeft de Raad van State een besluit van de minister bekrachtigd. Die heeft in augustus 2018 geweigerd een VOG verklaring af te geven. Het eerste beroep tegen die afwijzing vond begin 2019 plaats, zonder succes. Met de stap naar de RvS werd hoger beroep ingesteld. Voor de aanvrager heeft dat niet tot het gewenste resultaat geleid.

Toeval

Het volgen van de rechtspraak gebeurt hier al jaren. Normaal gaat de meeste aandacht uit naar zaken met een internet component. De uitspraken van de Raad van State hebben een lagere prioriteit. Daar wordt alleen actief door gebladerd als er een overheid de pers heeft gehaald. Dat deze VOG zaak is opgevallen is dan ook puur toeval. De zoektocht was namelijk gestart om de status van een geschil tussen de gemeente en een sector te controleren.

De Zaak

Dat deze zaak opviel heeft alles te maken met de lengte. Het aantal zaken over het niet vertrekken van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), waarbij alle rechterlijke mogelijkheden worden benut is niet groot. Als een VOG er niet komt heeft de aanvrager in de regel geen zin in de heisa. Dat was in dit geval duidelijk anders.

Persoon X wil in Rotterdam aan de slag als verzorgende. Voor dergelijk werk is een screening vereist. De minister heeft daarvoor het “Screeningsprofiel gezondheidszorg en welzijn van mens en dier” van toepassing verklaart. Dat klinkt allemaal heel normaal.

De minister komt in 2018 tot de conclusie dat persoon X niet in aanmerking komt voor een VOG om de volgende redenen:

  • uit het Justitieel Documentatie Systeem blijkt dat op 25 januari 2018 een zaak tegen persoon X wegens mishandeling is geseponeerd op de grond “verhouding tot benadeelde geregeld”;
  • dat persoon X op 21 augustus 2000 onherroepelijk is veroordeeld wegens doodslag en opzettelijke vrijheidsberoving en de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd heeft gekregen;
  • omdat de aan persoon X opgelegde tbs-maatregel binnen de geldende terugkijktermijn van vier jaar nog voortduurde, is de terugkijktermijn vermeerderd met de feitelijke duur van de tbs-maatregel;
  • bij beslissing van de rechtbank van 23 september 2014 is de aan persoon X opgelegde tbs-maatregel laatstelijk verlengd met één jaar. Bij beslissing van 25 februari 2016 heeft de rechtbank de vordering tot verlenging van de tbs-maatregel en de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging afgewezen.

De door persoon X gepleegde strafbare feiten zijn volgens de minister dan ook “bij uitstek niet te verenigen met de functie van verzorgende”.

De RvS stelt de persoon X op alle punten in het ongelijk. De zaak is daarmee afgesloten, maar een aantal vragen blijft. Kan iemand met een TBS verleden überhaupt voor een VOG in aanmerking komen? Waarom is persoon X, terwijl alle seinen op rood stonden, tot de RvS gaan procederen?

Share: